Op zoek naar informatie over een psychische klacht of aandoening?

Klik hier voor een A-Z overzicht van enkele belangrijke psychische klachten »

Tijd om normaal te doen over psychische problemen

Psychiater met obsessieve gedachten

Psychiater Menno Oosterhoff helpt als ervaringsdeskundige mensen met obsessieve gedachten. Patiënten zien het als een vorm van erkenning, zegt hij. "Als de psychiater het heeft, mag het er blijkbaar zijn." Je moet dr. Menno Oosterhoff inderdaad niets leren over dwanggedachten, hij kampte er al als kind mee. "De truc is de onrust te verdragen."

De rondleiding door de tuin – nu ja, de wildernis achter het huis – duurt krap 20 minuten. In die tijd heeft de Nederlandse psychiater Menno Oosterhoff (61) 38 planten aangewezen, benoemd en toegelicht. De dubbele boterbloem, de wolfsmelk, het parelgras, de leeuwenbek. "Weet je trouwens waarom de leeuwenbek zo heet?"

Ondertussen rukt Oosterhoff onkruid weg, aait hij zijn twee golden retrievers en plukt hij munt voor de thee.

Er waren tijden dat hij 40 uur per week in de tuin werkte – naast zijn baan als psychiater. Als het donker werd, zette hij er een bouwlamp bij, zodat hij kon doorgaan. Vakanties gebruikte hij om plantjes te zoeken, om mee te nemen naar Nederland. Als hij en zijn vrouw in het weekend een afspraak hadden, raakte hij geërgerd. "Ik kan ook nooit eens ongestoord in de tuin werken", zei hij dan.

Dagboeken

Menno Oosterhoff is psychiater en heeft een dwangstoornis. Als hij met patiënten praat, kan hij zijn dwang loslaten en functioneert hij goed. Maar de rest van de tijd heeft hij last van dwang. De tuin heeft hij inmiddels grotendeels losgelaten. Zijn verzameling oldtimers ook. Maar zijn volledigheidsdwang om alles te willen weten, alles uit te zoeken, alles te verantwoorden, is niet weg, die is hooguit onder controle.

In zijn boek Vals alarm beschrijft Oosterhoff als psychiater én patiënt hoe een dwangstoornis voelt. Hoe je ermee kunt leren leven. En hoe het is om zowel psychiater als patiënt te zijn.

Iedereen heeft weleens dwangverschijnselen. Dat je een keertje extra controleert of de voordeur wel op slot zit, het gas uit is en of je portefeuille wel in je zak zit – terwijl je net nog hebt gekeken. Daar is niets mis mee. Het wordt pas een aandoening als de controlezucht, ingebeelde lelijkheid, verzamelwoede of smetvrees je leven gaat beheersen en daarmee je leven verstoort.

Bij Oosterhoff begon het in de puberteit. Met niets mogen kwijtraken, zelfs geen plakbandje. Hij zat huiswerk te maken met een vriendje en gooide een plakbandje weg, maar zag het niet in de prullenbak liggen. Dat voelde alsof hij iets kwijt was, een gevoel waar hij toch al slecht tegen kon. Toen het vriendje weg was, doorzocht hij de prullenbak. Daarna de kamer en later de vuilnisbak – waar het niet in kon liggen.

"Ik had wel door: dit is niet normaal. Het plakbandje moest toch weg, dus wat maakt het uit? Maar het voelde on-ver-draag-lijk."

Wat deed u eraan?

Menno Oosterhoff: "Ik deed wat alle mensen met dwang doen: de onrust bestrijden door alles perfect en volledig te krijgen. Dat geeft tijdelijk opluchting, maar de gevoeligheid voor het onaffe, vieze of wat dan ook wordt steeds groter. Het alarm gaat steeds sneller af. Je spiraalt er steeds dieper in. En vaak breidt het zich uit naar andere terreinen.

"Ik hield dagboeken bij om alles op te schrijven wat er in mezelf gebeurde. Álles. Ik kwam vaak zo thuis uit school (Oosterhoff houdt negen gestrekte vingers omlaag), omdat ik negen dingen moest opschrijven. Als ik van één punt was vergeten wat het was, vond ik dat vreselijk.

"En die dagboeken moesten almaar completer. Als er iets in mijn beleving veranderd was, moest ik erbij schrijven dat ik de dingen nu anders zag dan gisteren.

"Daarna wilde ik ook de buitenwereld beschrijven in mijn dagboeken. Niet zozeer uit interesse, maar uit angst iets te missen. Ik kan me herinneren dat ik me in yoga ging verdiepen, want stel dat yoga zaligmakend is, dan zou het doodzonde zijn dat ik het niet zou doen. Ik wilde niets missen van de mogelijkheden die het leven biedt. 'Fear of missing out', noemen we dat inmiddels. Maar zo wordt elke optie een verplichting."

Projecten

De opties die verplichtingen werden: je ziet ze meteen als je bij Oosterhoff in het Groningse Thesinge het erf op stapt. Onder de dakrand zitten twaalf genummerde zwaluwnesten. Ooit werden de vliegbewegingen van de geringde vogels nauwkeurig bijgehouden.

De tuin wemelt van de projecten. Een bijenstal, een boomhut, stenen muren en diverse schuurtjes en hutten. Het huis zelf doet denken aan Villa Kakelbont uit Pippi Langkous. Oosterhoff heeft samen met zijn vrouw Dineke alles vertimmerd en geschilderd. Er zit heel wat 'dwangarbeid' in, zoals hij het in zijn boek gekscherend noemt.

Ondertussen struinde hij zoekertjessites af om te zien of er nog hobby's waren die hij miste. En dan hebben we het nog niet over de gedachten die hij – in slechte tijden – ook allemaal moest beheersen.

"Als ik wakker werd, sloeg de dwang meteen aan. Binnen een minuut. Dan begon ik lijstjes te maken. Dat ik mijn tanden moest poetsen, mijn brood moest smeren, mijn tas moest meenemen. En als ik niet meer wist welke punten ik allemaal precies had willen opschrijven, voelde dat verschrikkelijk."

Hoezo verschrikkelijk? Bedoelt u angstig?

"Nee, bij mij is het geen angst. De meest bekende dwangstoornissen gaan gepaard met onrust die angstig gekleurd is. Een dreiging, het zwaard van Damocles dat boven je hoofd hangt. In mijn boek beschrijf ik een patiënt die zo bang is dat hij kanker heeft dat hij zegt: 'Had ik maar kanker. Dat is minder erg dan de onzekerheid.'

"Maar er is ook de groep waartoe ik behoor, voor wie de onrust veel onbestemder is. Het voelt niet goed, niet volledig. Het is alsof er een gat in je wereld zit, alsof je uit elkaar valt, alsof je een verschrikkelijk verlies hebt geleden. Terwijl je verstandelijk weet dat het nergens over gaat, zoals met dat plakbandje."

Wat adviseert u mensen met dwang?

"De oplossing is dus niet: de dreiging wegwerken door elke dag naar de dokter te gaan, extra te poetsen, ordenen of controleren. De oplossing is juist de onrust te verdragen. Te ervaren dat het alarm vals is. Dat de mug géén olifant is.

"Daarvoor is vertrouwen nodig. Bij mensen met dwang ontbreekt het daaraan. Daarom moet je dat vertrouwen oefenen. Vaardigheden die je niet gebruikt, verlies je. Als je alles gaat controleren, verschrompelt het kleine beetje vertrouwen dat je nog wél hebt."

Omkeermoment

Tijdens cognitieve gedragstherapie moet de patiënt vertrouwen oefenen door niet altijd of niet te veel aan compulsies (dwanghandelingen) toe te geven en kleine risico's te nemen. Een patiënte met een obsessieve angst iemand dood te rijden – 'Dat risico neem ik écht niet' – wordt gevraagd 50 centimeter te rijden. En daarna een meter. 

Om angst weg te nemen, moet je doen waar je bang voor bent. Soms helpt het om door een gedachte-experiment te laten zien hoe klein de kans is dat gebeurt waar je zo bang voor bent. Een man die zich druk maakt over houtworm in de balken en het hele huis wil afsluiten en met gas behandelen, kan gevraagd worden zich voor te stellen dat hij iemand erg haat. En dat hij hem toewenst dat zijn huis in elkaar zakt door de houtworm. Dan dringt opeens door dat hij op zoiets waarschijnlijk erg lang moet wachten, als het al ooit gebeurt.

Als het Oosterhoff lukt om mensen te doordringen van de noodzaak de onrust te verdragen, risico's te durven lopen, noemt hij dat een omkeermoment.

Beschrijft u eens zo'n omkeermoment bij uzelf.

"De eerste keer dat ik een halve meter aan dagboeken vernietigde. Ik besefte dat toen niet zo, maar dat was een uit nood geboren omkeermoment. Ik werd helemaal gek van dat geschrijf.

"Nu weet ik niet meer hoe ik die schriften heb vernietigd. Even denken. De tweede serie dagboeken heb ik verscheurd en daarna in bad nat gemaakt zodat ze onherstelbaar waren beschadigd. Maar die eerste serie. Eh... Kijk, hier word ik heel onrustig van. Dat móét ik toch weten?"

Hoe kunt u zo'n stoornis combineren met een baan en, eerder, met een studie?

"De psychiatrie, met patiënten praten, heeft een hoge graad van wezenlijkheid. Ik wil dat zo graag doen dat het de dwang naar de achtergrond dringt. En ik heb een enorme hoeveelheid energie. Ik vind het ook een godswonder dat ik nooit een burn-out heb gehad. Als je ziet hoeveel ballen ik allemaal in de lucht houd. Patiëntenzorg, managementfuncties, de tuin aanleggen, het huis verbouwen en alles, alles wat ik aanraak wordt een hobby. Toch raak ik niet overspannen. Mijn dwang is sterker. (Vol zelfspot) Ik heb geen tijd om overspannen te zijn. Stel je voor. Dan loopt voor mijn gevoel alles in het honderd. Dat kan echt niet."

Openheid

De aandacht voor dwangstoornissen in de psychiatrie is relatief nieuw. Toen Oosterhoff als jongen van 18 bij de studentenpsycholoog zat, zag die een depressieve student die worstelde met het recente overlijden van zijn vader. De dwangstoornis werd niet herkend. Misschien maar beter ook, want in die tijd werden dwangstoornissen vaak nog gezien als uiting van een innerlijk conflict.

Oosterhoff zucht. "Dan was mijn dwang alles te willen bewaren misschien opgevat als afweer tegen gevoelens van opluchting dat mijn vader overleden was, omdat hij stond voor een streng christelijke opvoeding. Terwijl ik in werkelijkheid mijn vader verschrikkelijk miste. Gelukkig zijn er nog maar weinig hulpverleners die een dwangstoornis behandelen door in het verleden te graven. Daar worden patiënten niet beter van."

Hoe ontstaan dwangstoornissen?

"Erfelijke gevoeligheid speelt een belangrijke rol. Dat weten we zeker. Of die tot uiting komt, hangt af van een samenspel met allerlei omgevingsfactoren. Mogelijk wordt een dwangstoornis geactiveerd door een ingrijpende gebeurtenis. Er zijn in elk geval ook toevalsfactoren. Iemand kan in een lastige periode wat dwang ontwikkelen, en als je daar verkeerd mee omgaat, versterkt de dwang zichzelf. Daarom is het zaak er zo vroeg mogelijk bij te zijn."

Oosterhoff wilde al psychiater worden voordat zijn eigen dwangproblemen zich manifesteerden. In het begin twijfelde hij of hij wel een goede psychiater kon zijn. 'Ze moesten eens weten dat ik zelf zoiets heb', dacht hij. 'Wat is dat voor een dokter, als hij zichzelf niet kan genezen?'

Maar eigenlijk is het juist een voordeel dat hij begrijpt hoe belemmerend en ingrijpend psychische aandoeningen kunnen zijn. Dat hij 'uit de kast kwam' met zijn dwangstoornis heeft hem veel goeds gebracht in contact. "Patiënten voelen zich begrepen. Ze durven meer te vertellen, ook rare dingen. Ze zien het als een vorm van erkenning: 'Als de psychiater het heeft, mag het er blijkbaar zijn.'"

Zijn openheid heeft hemzelf ook goed gedaan. "Ik vind dat verhaal over dat plakbandje ontzettend beschamend en onnozel. Maar ja, op een gegeven moment weet iedereen het en raak je de schaamte voorbij. Mensen generen zich minder voor een wijnvlek op het gezicht dan voor een wijnvlek op hun bil, wist je dat? Schaamte gedijt nu eenmaal het best in het duister.

"Toen ik openlijk over mijn dwang begon te praten, nam ik mezelf voor te verzwijgen dat ik intrusies (obsessieve, weerzinwekkende gedachten, red.) heb gehad. Dat ga ik echt niet vertellen, dacht ik. Maar ja, als je weet dat 40 procent van de patiënten met een dwangstoornis ook intrusies heeft, dan voelt het onwaarachtig als ik – als ambassadeur van de dwang – mijn mond hou."

Wat voor weerzinwekkende gedachten had u?

"Dat zeg ik niet. Het gaat erom dát ik ze heb gehad. De inhoud vind ik te persoonlijk – en het wordt zo makkelijk verkeerd begrepen. Bovendien worden intrusies geactiveerd door erover te praten. Ik maak liever geen slapende honden wakker.

"Maar ik wil wel aandacht voor het probleem. Ik werd laatst opgebeld door een meisje van 17. Ze vroeg: 'Wat mankeert mij? Als ik mensen ontmoet, denk ik voortdurend dat ik ze een schop moet geven of ze met een mes moet steken. Ben ik een psychopaat of zo?'

"Dat is ze natuurlijk niet. Iedereen heeft weleens bizarre gedachten, maar mensen met dwang worden daar obsessioneel angstig van."

Waarom hebben we dat soort rare gedachten? In uw boek noemt u het voorbeeld van jonge moeders die vrezen dat ze hun kind iets aandoen.

"Als je zo'n kwetsbaar baby'tje op de arm hebt, triggert dat bij iedereen gedachten als: ik moet heel voorzichtig zijn. Bij mensen met dwang kan zo'n waarschuwingssignaal ontsporen in een gedachte als: wilde ik mijn kind nu net uit het raam gooien?

"Dit gaat niet over de wens iemand te schaden, maar juist over de angst daarvoor. Dat weten hulpverleners vaak niet. En zo'n moeder houdt natuurlijk haar mond. Uit angst dat ze het kind bij haar weghalen. Het is heel belangrijk deze dwangklachten te onderscheiden van een psychose, want daarbij kunnen wel ongelukken gebeuren."

Medicatie

Eén hoofdstuk in het boek is geschreven door Dineke, de vrouw van Oosterhoff. 'Mijn leven met de (dwang van) Menno', heet het. Een openhartig, soms pijnlijk relaas over een huwelijk waarin keihard gewerkt moet worden om het evenwicht te bewaren. Sinds Oosterhoff een jaar of tien geleden medicatie is gaan slikken, zijn de dwangklachten volgens zijn vrouw met de helft verminderd. "Ik weet niet of we het gered hadden zonder medicijnen met ons huwelijk", schrijft ze.

Oosterhoff knikt. "Het was heftig om te lezen. Er stond niks nieuws in, natuurlijk. Maar zo alles bij elkaar. Het is verdomd... Zij heeft er toch nog meer van meegekregen dan ik me gerealiseerd heb. Vooral mijn dwang om altijd alles uit te willen praten. Ik dacht lange tijd: ze mag zich gelukkig prijzen met een man die praat. Maar het kan ook te veel van het goede zijn. Ik zie nu hoe ik haar heb gezandstraald."

"Inderdaad", glimlacht zijn vrouw, die komt binnenlopen. "Ik vond dat vooral 's ochtends vroeg lastig." Oosterhoff: "Dan wil zij nog lekker mijmeren, nergens aan denken. Dat ken ik natuurlijk helemaal niet. Maar als ik het hoofdstuk van Dineke lees, vind ik het ook mooi hoe ze mij steunt, dat het ons is gelukt. Het leven is voor mij vaak een worsteling, maar ik ben ook met veel gezegend. Het is een goed leefbaar leven."

Tijdens het interview houdt Oosterhoff voortdurend zijn mobiel in het vizier. Hij biedt geregeld verse thee aan. Doet de deur voor de honden open. En dicht. En open. En dicht. Met één oor luistert hij naar het gepiep van drie weken oude kittens in de keuken. "Waar blijft die moederpoes nou?"

Ondertussen maakt hij lijstjes in zijn hoofd van wat hij nog moet vertellen. Hij praat graag in opsommingen, waarbij hij telt op zijn vingers: één, twéé en dríé. Hij oogt vermoeid. Niet het soort vermoeidheid dat met een nachtje slapen weg is.

"Ik ben op dit moment ook best dwangmatig. Stress is natuurlijk niet goed. Het schrijven van een boek waarin je nooit volledig kunt zijn, heeft veel van mij gevergd. Van moeheid word ik emotioneel. Van zo'n interview word ik ook een beetje jankerig. Dan denk ik: wat leef ik toch op de toppen van mijn zenuwen. Wat voelt het leven als één voortdurende twijfel. O, wat zit daar weinig flow in."

En dan weer die blik vol zelfspot. "Zero mindfulness!"

Menno Oosterhoff, Vals alarm, Uitgeverij Lucht, 22,50 euro.

(Bron: De Morgen)

10/06/2017